Het kniegewricht bestaat uit verschillende compartimenten die door verschillende redenen kunnen verslijten. Dit slijtageproces wordt "arthrose" genoemd. De slijtage kan zich beperken tot 1 compartiment, zich uitbreiden over een groter deel van de knie tot zelfs het volledige gewricht.
Wanneer een eenvoudige behandeling niet meer voldoet, is een knieprothese de enige oplossing. Er bestaan, afhankelijk van de uitgebreidheid van de slijtage, verschillende soorten protheses: een totale knieprothese, een halve knieprothese en een knieschijfprothese.
Een knieprothese gaat niet eeuwig mee. De gemiddelde overlevingsduur van een prothese is actueel rond de 20 à 25 jaar. Het is steeds mogelijk om een bestaande knieprothese te vervangen: revisieprothese
Er zijn veel verschillende knieprotheses mogelijk. Je arts werkt doorgaans met een vast type van prothese. Belangrijk om te weten is dat erop heden geen enkele studie is die aantoont dat een bepaald merk beter is dan een ander. Belangrijk is dat je chirurg ervaring heeft met het type prothese dat geplaatst wordt. Financieel is er noch voor jou, noch voor je chirurg enig verschil.
Enkel de binnen- of de buitenzijde van de knie wordt vervangen (zowel bovenbeen als onderbeen).
De knie bestaat uit 3 compartimenten. Tussen boven- en onderbeen zitten 2 contactoppervlakken, eentje aan de binnenzijde, en eentje aan de buitenzijde. Een derde compartiment is tussen het bovenbeen en de knieschijf. Een zogenaamde "totale" knieprothese, zal alle 3 deze compartimenten vervangen. Bij een unicompartimentele of partiële prothese wordt er slechts één compartiment vervangen.
Bij een partiële knieprothese wordt enkel van 1 zijde het kraakbeen van boven- en onderbeen vervangen, alsook de meniscus. In tegenstelling tot bij een totale knieprothese blijven beide kruisbanden dus behouden.
Indien slechts een deel van je knie beschadigd is, is een partiële knieprothese een logische behandeling. Waarom zou een nog gezond deel van de knie mee vervangen moeten worden? Ook zijn er verschillende voordelen van een partiële knieprothese in vergelijking met een totale:
Zowel binnen- als buitenzijde van de knie worden vervangen, alsook de knieschijf.
Ondanks het individuele verschillen hebben alle totale knieprotheses een zelfde opbouw:
Er is wel degelijk veel verschil in hoe een prothese wordt geplaatst. Hier is onder orthopedisten nog veel discussie over. Een van de modernste technieken is het zogenaamde "kinematic alignment".
Na de operatie moet je nog enige tijd te revalideren. Allereerst wordt geoefend op het volledig strekken van de knie, daarna op het buigen, en pas daarna volgt de krachttraining van de bovenbeenspier. Je kan de revalidatie zelfstandig doorvoeren of onder begeleiding van een kinesist. Naar een revalidatieoord blijft een optie, hoewel dit door de nieuwe technieken niet routinematig meer noodzakelijk is.
Enkel het gewrichtsoppervlak tussen knieschijf en bovenbeen worden vervangen.
In bepaalde gevallen bevindt de arthrose zich enkel ter hoogte van het gewricht tussen knieschijf en bovenbeen, het zogenaamde "patellofemorale gewricht". In deze gevallen kan het zinvol zijn een patellofemorale prothese te plaatsen.
Hierbij worden de beschadigde oppervlaktes van knieschijf enerzijds en bovenbeen anderzijds vervangen door een prothese. Deze bestaat ter hoogte van de knieschijf uit kunststof, ter hoogte van het bovenbeen uit metaal.
Kruisbanden, meniscus, gewrichtsbanden alsook het kraakbeen tussen bovenbeen en onderbeen (het femorotibiale gewricht) worden niet vervangen.
Er zijn veel verschillende knieprotheses op de markt. Je arts werkt doorgaans met een vast type van prothese. Belangrijk om te weten is dat erop heden geen enkele studie is die aantoont dat een bepaald merk beter is dan een ander. Belangrijk is dat je chirurg ervaring heeft met het type prothese dat geplaatst wordt. Financieel is er noch voor jou, noch voor je chirurg enig verschil.