Het contrastmiddel helpt de radioloog bij het beoordelen van uw CT-scan. Het contrastmiddel wordt toegediend via een klein naaldje dat in een ader wordt geplaatst, meestal in de plooi van uw elleboog.
Tijdens de injectie kan u een warmtegevoel ervaren, alsook een vreemde smaak in de mond. Misselijkheid kan soms voorkomen gedurende enkele minuten, of het vals gevoel dat u moet plassen.
Het kleurloze contrastmiddel verdwijnt via de urine uit het lichaam in de uren na het onderzoek.
Blijf 4 uur voor het onderzoek nuchter om het risico op misselijkheid en braken bij contrasttoediening te verminderen.
Tijdens de injectie kan je een warmtegevoel ervaren, alsook een vreemde smaak in de mond. Misselijkheid kan soms voorkomen gedurende enkele minuten, of het vals gevoel dat je moet plassen.
Na het onderzoek kunt u uw dagelijkse activiteiten onmiddellijk hervatten. Het is aangeraden om wat extra water te drinken na het onderzoek.
De overgrote meerderheid van de patiënten ervaart geen negatieve effecten. Mogelijke risico’s zijn:
Zelden (<0.5%) treedt er een milde allergische reactie (hoesten, niezen, huiduitslag of jeuk,…) op tot 48 uur na het onderzoek.
Zeer zelden (<<0.05%) treedt er een zware allergische reactie op (moeilijke ademhaling, opgezwollen keel, versnelde hartslag, allergische shock).
Indien je een reactie opmerkt nadat je de dienst reeds verlaten hebt, gelieve ons hiervan op de hoogte te brengen zodat we dit in je dossier kunnen noteren.
Het contrastmiddel kan een zeldzame keer tijdens de inspuiting naast het bloedvat terechtkomen. Zwelling en pijn ter hoogte van de injectieplaats kunnen dan optreden. Dit trekt normaal gezien in de dagen na het onderzoek terug weg. Indien dit voorkomt zullen we instructies geven hoe dit goed te behandelen.
De contrastmiddelen die op CT worden gebruikt zijn jodiumhoudende middelen. Van deze middelen wordt aangenomen dat ze mogelijks een impact kunnen hebben op de nierfunctie. Daarom is het aangewezen om altijd waakzaam te zijn, vandaar dat in AZ Zeno een schema wordt toegepast vooraleer men contrast geeft om te weten of er een verhoogd risico is op een verminderde nierwerking.
Zo zijn o.a. suikerziekte en personen met een gekende nier problematiek, risicofactoren voor een gedaalde nierfunctie als gevolg van het toedienen van contrast via de bloedbaan. In deze gevallen zal men de resultaten van een recente bloedafname nodig hebben waarbij de nierfunctie gecontroleerd werd.
De nierfunctie wordt gecontroleerd aan de hand van de eGFR-waarde. De aanvragende arts zal jou in dat geval vaak de resultaten van een recente bloedafname meegeven. Afhankelijk van het feit of de nier al of niet minder goed werkt, kan het zijn dat opvolging na het onderzoek aangewezen is. In sommige gevallen zal men moeten hydrateren in het dagziekenhuis om de nieren extra te beschermen. Dit zal allemaal op tijd gecommuniceerd worden door de aanvragende arts of het secretariaat van de radiologie.